Terug naar hoofdmenu
Wie is dit?
Intro tekst Curaçao



   Met een vloot van slechts zes schepen en 225 soldaten werd Curaçao in 1634 door WIC-er Johan van Waalbeek op de Spanjaarden veroverd. In ruil voor de vrije overtocht gaven de Spanjaarden het eiland over aan de Nederlanders. Zo verlieten 32 Spanjaarden (inclusief kinderen) en 402 Indianen het isla inútil,
het nutteloze eiland.
Curaçao kreeg deze naam, samen met Bonaire en Aruba van de Spaanse ontdekker Alonso de Ojeda die rond 1500 op zoek was naar nieuw koloniën.
De benedenwindse eilanden bleken letterlijk en figuurlijk geen goudmijnen en zouden de komende twee eeuwen als Islas Inútiles ongemoeid blijven.



Het eiland Curaçao, ca. 1640.






Z.Wagner, Slavenmarkt, 1641.

   Curaçao wekte de interesse van de Nederlanders toen het meer en meer bezittingen kreeg in Zuid-Amerika en de slavenhandel een bloeiend bedrijf werd. Met haar natuurlijke haven en haar centrale ligging in het Caribische gebied versterkte Curaçao de positie van de WIC in 'de West'.
Curaçao werd de belangrijkste slavenmarkt van het gebied. Tussen 1658 en 1795 werden hier ruim 112.000 slaven verhandeld.

   Naast de slavenhandel ontstond er ook een bloeiende handel in de opslag en overslag van Zuid-Amerikaanse en Caribische producten.
De voornaamste activiteit op Curaçao bestond dus uit de handel. De bodem bestond voornamelijk uit rotsen en het klimaat was te droog voor een bloeiende plantage-economie. De plantages waren over het algemeen gemengde agrarische bedrijven en verbouwden producten voor de lokale markt.
Men verbouwde maïs en bonen, hield geiten, deed aan zoutwinning en zoetwaterwinning.




   De slaven waren uitgeput van de reis.
Ze werden eerst een tijd apart gehouden om van hun ziektes te genezen. Ze moesten goed eten, de grijze haren werden geverfd om ze jonger te laten lijken en hun huid werd met olie ingesmeerd. Zo zag de handel er weer aardig uit en konden de handelaars er meer geld voor krijgen. Soms werd het kapsel van een slaaf in een belachelijke vorm geschoren.
Dan konden de handelaren ´lekker´ lachen.

   Met slavenhandel kon je aardig verdienen:
voor 15 pond kocht je een man in Afrika.
Op Curaçao kon je hen verkopen voor wel 80 pond. Het ging er soms grof aan toe tijdens de verkoop. Olaudah Equiano, een voormalige slaaf, heeft dat beschreven: de slaven werden allemaal naar een binnenplaats gebracht. Op het geluid van een gong renden de handelaren de binnenplaats op en probeerden in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk slaven te verzamelen. Ze haalden families uit elkaar, trokken monden open om gebitten te bekijken en lieten slaven hinkelen en springen. Soms stonden ze letterlijk met z´n tweeën aan een slaaf te trekken.



Gezicht op Willemstad, de haven van Curaçao, ca. 1780.



   De nieuwe eigenaar liet zijn slaven brandmerken. Soms werden ze ook gemerkt door een sneetje in hun gezicht of een bepaalde inkeping in het oor.
Dan ging de reis verder, opnieuw in het ruim van een schip en verder naar Brazilië, Venezuela of een andere kolonie.






Een groep slaven komt via een
slavenschip aan in Suriname.

   Op Curaçao zijn er slaven geweest die zichzelf vrij konden kopen. Ze verdienden extra maïs of bonen door op zondag, 's avonds of in de nacht te werken.
De extra maïs konden ze verbouwen en de opbrengst verkopen. Zo breidden ze langzaam hun bezit uit met kippen en ezels. En natuurlijk werden er links er rechts ook goederen bij de shon (plantage-eigenaar) ontvreemd en vervolgens verkocht in de stad. Uiteindelijk kocht een slaaf zich vrij.
Wanneer een slaaf zichzelf en/of zijn familie vrijgekocht had en een beetje goed boerde kocht hij op zijn beurt een of meer slaven. Ook gebeurde het nogal eens dat de zaken niet zo goed liepen en de vrij geworden slaaf uit armoede zijn kinderen weer verkocht aan een shon.

   In het Papiamento heet de woensdag diarazon.
Het is de enige naamdag die niet uit het Spaans is afgeleid maar uit het Nederlands: dia di rantsoen, rantsoendag. Op deze dag kregen de slaven hun wekelijkse rantsoen: maïs en vlees. Na de emancipatie, de afschaffing van de slavernij, bleef dit gebruik gehandhaafd en werd de woensdag betaaldag.




   Dat Curaçao geen echte plantage economie kende maar een handelseconomie wordt ook duidelijk door de cijfers. Tien jaar voor de emancipatie, de afschaffing
van de slavernij, leefden er ongeveer 17.000 mensen op Curaçao. Eenderde van hen was slaaf.
Het aandeel slaven op het totaal van de bevolking in Suriname bedroeg in diezelfde tijd 90 %.




   De idealen van de Franse Revolutie in 1798 - vrijheid, gelijkheid en broederschap - kregen ook invloed op de slaven in het Caribische gebied. Op Haïti wisten de slaven zichzelf in 1794 te bevrijden. Aan de hand van het dagboek van Bartholomeus Senior Jr. kunnen we het verloop van de grote slavenopstand van 1795 op Curaçao goed volgen.

   Op maandag 17 augustus 1795 komen de slaven van Bandabao, het westelijk deel van het eiland, in opstand. Ze leggen het werk neer en eisen hun vrijheid. De volgende dag spreekt Thomas Paradis ze bestraffend toe maar vindt geen gehoor. Die woensdag gaat de pastoor Schink naar de opstandelingen. Hij onderhandelt de hele nacht en belooft de slaven dat er geen straffen zullen volgen wanneer ze weer aan het werk gaan.
Te vergeefs. Diezelfde dag gaat er een troep van militairen met 50 man en de troep van vrije negers en Molatten (nakomelingen van Nederlandse mannen en slavenvrouwen) naar Bandabao. Enkele opstandelingen worden verslagen en 12 worden gevangen maar de opstand wordt niet gebroken.



Slavenopstand in Berbice, 1763.

   Op zaterdag 22 augustus probeert een troep burgerij, 50 man te paard, de opstand neer te slaan. Maar het leger van duizend slaven was te sterk, zodat de burgers zich terugtrokken op de plantage van dhr. Cambiaso en daar om versterking vroegen.
Een leger van burgerij, militairen en vrije Molatten rukten uit om de opstand neer te slaan.

   In zijn dagboek maakt dhr. Senior Jr. melding van de gewonden aan de kant van dit leger: onder de Molatten is er één gedood. Dhr. Brugman heeft een kogel in zijn arm en is levensgevaarlijk gewond.
Ook dhr. Van Uytregt is gewond geraakt aan zijn been door een kogel uit zijn eigen pistool. Hij overlijdt op 5 september. Brugman sterft op 7 september aan zijn verwondingen. Over de opstandige slaven schrijft hij: " Van de brutale negers zijn er gedood dat het ontelbaar is." In de dagen erna worden 16 slaven opgehangen, twee geradbraakt en twee gegeseld.

   Op 19 september wordt er een eind gemaakt aan de opstand en de kapiteins van de opstandelingen,
Tula en Carpata, gevangen genomen. Ze worden beide ter dood gebracht. Het zou nog bijna 70 jaar duren voor de slavernij wordt afgeschaft.




   Op een eiland als Curaçao was het niet gemakkelijk om te vluchten. Het eiland was relatief klein (vergelijkbaar met Texel) en de vegetatie was ongeschikt om je er lange tijd schuil te houden. Gebrek aan zoet water en voldoende voedsel dwongen de wegloper zich geregeld in de bewoonde wereld te begeven, met alle gevaren van dien. Aan de westkant van het eiland ging eens een sterke slaaf met een aantal vrienden er vandoor. Ze hielden zich schuil tussen de cactussen.
De shon stuurde er slavenvangers op uit om ze te vangen. Ze schoten kogels links en rechts door de cactussen en doodden de weglopers.

   Tawala was ook een ontvluchte slaaf.
Jarenlang heeft hij zich in een grot kunnen verschuilen. Een klein horizontaal gat was de ingang van de grot en kon worden afgedekt met een steen. Lang na zijn dood heeft men hier zijn resten gevonden. De grot draagt nu zijn naam. Ook de grotten van Hato, nu een belangrijke toeristische attractie, waren ooit de schuilplaats van weggelopen slaven van de plantage Hato.
's Nachts verlieten zij de grot en stalen voedsel en water van de plantage. Toen de eigenaar dit in de gaten kreeg gaf hij opdracht aan zijn slavenvangers om de weglopers in stilte te volgen. De slaven werden gevangen genomen en de grotten voor altijd als schuilplaats onbruikbaar gemaakt.




   In 1863 werd in de Nederlandse koloniën de slavernij afgeschaft. Een heleboel mensen waren ineens vrij, maar ze hadden helemaal niets.
De slaveneigenaren op Curaçao kregen fl 200,- per slaaf als schadevergoeding. Voor de meeste voormalige slaven brak er een moeilijke tijd aan. Het huis waar ze in woonden en het stukje grond dat ze verbouwden mochten ze blijven gebruiken maar nu tegen betaling. Per maand moesten ze 1 dag werken op het land van de shon (de plantage eigenaar). Daarnaast werden ze afhankelijk van de hoeveelheid werk dat er was.

   In de regentijd moest eerst het land van de shon beplant worden voordat ze hun eigen land konden bewerken. De armoede en honger waren zo groot dat een aantal geëmancipeerden de gouverneur lieten vragen de slavernij weer te willen invoeren, want zo was het geen leven.




   De plantage Savonet op Curaçao telde in 1867 358 mensen. Er stonden: 1 huis, 31 stenen huisjes en 125 hutten. Je zou verwachten dat het aantal na de emancipatie teruggelopen is.
De cijfers spraken dit tegen. Dertig jaar later, in 1898 woonden op Savonet 452 mensen in 138 hutten en 32 stenen huisjes, in één daarvan werd Juana Pastor geboren.




   Dit is tekst van de proclamatie van de afschaffing van de slavernij:

   " Proclamatie. De gouverneur van de vrijgemaakte bevolking van Curaçao en onderhorige eilanden. Op 30 september van het vorige jaar is de wet afgekondigd, waardoor het onze geëerbiedigde Koning behaagd heeft goed te vinden, dat op de eerste dag van juli 1863 de slavernij voor altijd wordt afgeschaft op Curaçao en onderhorige eilanden. Deze dag van vreugde is heden aangebroken. Van nu af aan zijt gij vrije mensen en gij treet de gemeenschap binnen als vrij bewoners van deze kolonie.

   Uit geheel mijn hart wens ik u geluk met de goedheid, die de Koning u in zijn vaderlijke zorg heeft betuigd; met ernst kunt u zich verheugen over deze goedheid – maar u moet deze gunst waardig tonen. In uw staat van slavernij heeft u zich onderscheiden door een kalm gedrag en gehoorzaamheid aan uw heren.
Nu gij vrije mensen zijt, vertrouw ik erop,
dat gij uw plicht zult doen als vrij inwoners van deze Kolonie; dat gij goed zult werken tegen normalen betaling, over welk geld u moogt beschikken naar eigen goeddunken, tot onderhoud va uzelf en uw familie. Het bestuur waakt over uw welzijn en zal het zijne doen om het te verbeteren. Als ge raad nodig hebt, ga dan naar de Commissaris van uw district,
of naar andere bevoegde instanties en die zullen u helpen in alles wat goed is voor uw geluk."


Curaçao 1 juli 1863.
J.D. Crol.




   Curaçao werd in 1634 door de Nederlanders veroverd op Spanje. Het is een klein eiland met een rotsige bodem dus voor de grootschalige productie van gewassen niet erg geschikt. Wel was Curaçao uitermate geschikt als handelspost door zijn natuurlijke haven. Op de plantages die er waren verbouwden de slaven het voedsel voor de bewoners van het eiland. Hun aantal valt in het niet bij de hoeveelheden slaven die op Curaçao verhandeld zijn.
Curaçao werd in het Caribische gebied de belangrijkste handelspost waar slaven gekocht en verkocht werden aan de plantagehouders van de omringende landen.
In totaal zijn op Curaçao 112.000 slaven verhandeld.



   Pepe Juanita is 98 jaar oud en haar grootmoeder Juana is als slavin geboren. De oude dame kan zich nog de verhalen herinneren die haar oma haar verteld heeft.

" Grootmoeder Juana was een slavenmeisje. Ze werkte op de plantage Savonet. Toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft, was Juana een vrij mens geworden ze mocht voor zich zelf werken. Voor Juana was dat erg moeilijk. Nadat ze het 1 jaar lang geprobeerd had, ging ze terug naar de shon en vroeg of ze weer voor hem mocht werken.
Voor het werk werd ze nu betaald. Langzaam maar zeker spaarde ze wat geld totdat ze een klein huisje kon bouwen op een stuk grond helemaal achter op het land van de shon. Daar, in dat huisje werd de moeder van Juanita geboren en later ook Juanita zelf."