Terug naar hoofdmenu
Intro tekst Nederland



   Zowel aan de Afrikaanse kust als op Curaçao probeerden de handelaren zoveel mogelijk te verdienen aan de slavenhandel. Een jonge gezonde man leverde vanzelfsprekend het meeste op. Maar niet iedereen was jong en gezond. Voor de opper-heelmeester,
de arts aan boord, was de taak om voor de koop de slaven te onderzoeken en de scheepsbevelhebber te adviseren bij de koop.
De heelmeester ontleende zijn status aan de adviezen die hij gaf. Wanneer bleek dat hij een ziekte of gebrek over het hoofd had gezien, werd hem dat persoonlijk aangerekend en betekende het een ondermijning van zijn aanzien en gezag.



Laurent, mondinspectie, 1764. Kopergravure

   Om zijn collega's voor deze schande te behoeden schreef de Zeeuwse arts David Gallandat het boekje " Noodige Onderrichtingen voor de Slaafhandelaren." Hierin werd nauwkeurig verteld waar men op moest letten bij de koop van slaven.
Om ouderdom te camoufleren werden grijze haren geverfd of zelfs uitgetrokken. De heelmeester werd geadviseerd op enkele plaatsen het haar te wassen en goed op kale plekken te letten en op de slapte van de huid en het ontbreken van tanden.

   Om te voorkomen dat men een blinde slaaf koopt beschrijft dhr. Gallandat een eenvoudige proef:
(...)dit kan gemakkelijkst geschieden, wanneer men het een oog met de hand toe houdt, en doet als of men met den vinger in het ander oog wil steken, dan zal de slaaf op het ogenblik het oog toeknijpen, ‘t geen dan een zeker teken is dat hij er door zien kan. Deze proef moet aan beide de ogen genomen worden.(...)


Een inspectie voor de veiling, 1861.

   Een dove of stomme slaaf was ook geen goede handel. Daarom moest aan de slavenmeester gevraagd worden een vraag te stellen aan de slaaf. Heelmeesters moesten hierbij goed op het volume letten. Te hard schreeuwen kon doofheid betekenen. Andere uitwendige gebreken konden aan het daglicht komen wanneer men de slaaf betastte op botbreuken, liet lopen, springen en de armen en vingers liet uitstrekken. Waarbij nog het advies gegeven werd de vingers en tenen goed te tellen. Lang niet zo eenvoudig was het om je ervoor te behoeden een zieke slaaf te kopen. Gallandat waarschuwde ervoor dat slavenmeesters soms zeeziekte of angstaanvallen als excuus gebruikten voor een zieke slaaf.



Gezin in Virginia (Verenigde Staten) tijdens een slavenveiling, 1861.

   Deze adviezen golden voor heelmeesters die aan de Afrikaanse kust slaven kochten maar ook voor de kopers aan de andere kant van de oceaan.
Want eenmaal aan de overkant werd de scheepsbevelhebber slavenmeester en bediende hij zich van dezelfde trucks als zijn Afrikaanse collega's.






Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren

   D.H. Gallandat, chirurg te Vlissingen schreef in zijn " Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren" welke ideeën over Afrikaanse slavenhandelaren er in Europa leefden:

   " Veel mensen zijn van gedachten dat onder de negers, de ouders hun kinderen, de mannen hun vrouwen, en ook de ene broeder de anderen verkopen; doch dit zijn enkel verdichtselen en vertellingen, welke van alle waarheid ontbloot zijn. Men kan immers licht begrijpen dat steden, koninkrijken of gemeentebesten, waarin soortgelijke handel plaats zoude hebben,
onmogelijk bestaan kunnen; doch men laat zelden zijn gedachten zo ver gaan; men is meer genegen om deze vertellingen blindelings voor waarheid aan te nemen, dan zich de moeite te geven, om de bestaanbaarheid daarvan te onderzoeken Ik moet bekennen, dat ik van soortgelijke vooroordelen niet vrij was, wanneer ik voor de eerste maal de Afrikaanse kusten bezocht; en dat ik hoogst verwonderd was te zien, dat er, onder de onbeschaafde volkeren van dat werelddeel, zeer goede wetten omtrent de slavernij plaats hadden."







Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren

   Het ging goed met het plantagesysteem in Suriname halverwege de 18e eeuw. De aanvoer van slaven was onder controle, de politiek redelijk stabiel en de teeltmethoden en de machines waren verbeterd.
Op het hoogtepunt waren er meer dan 600 actieve plantages in Suriname. Er kwamen flinke winsten naar Nederland en dat trok handel aan.

   Veel investeerders in Nederland zagen de suikerplantages als een goede belegging en in Paramaribo waren talloze kantoortjes waar het krijgen van forse leningen voor het starten of uitbreiden van een plantage geen enkel probleem was.
Gevolg was dat de prijzen van grond, gereedschappen en slaven stegen. De prijzen voor suiker en tabak stegen echter niet en de kersverse plantage-eigenaren kwamen tot over hun oren in schulden te zitten.
Toen vervolgens de oogst in 1770 mislukte en de opbrengst de jaren erna tegenviel konden de mensen hun schulden niet meer betalen. De Nederlandse schuldeisers kregen, in plaats van hun geld,
de plantages en waren plotseling ongewild eigenaar van één of meer plantages in Suriname.



Een groep slaven komt via een
slavenschip aan in Suriname.

   De periode die nu aanbrak heette het absenteïsme. De plantage-eigenaren lieten hun bezit in Suriname beheren door een administrateur. Die moest een bepaald bedrag per jaar afstaan aan de eigenaar en mocht de rest zelf houden. Deze administrateurs probeerden meestal binnen een paar jaar rijk te worden en pleegden roofbouw op de slaven,
machines en grond. Voor de slaven betekende deze periode een verslechtering van hun positie en leefomstandigheden.




   Voor wie gewetensbezwaren hadden bij de slavenhandel werd door dhr. Gallandat in zijn boekje
" De Noodige Verrichtingen voor de Slaafhandelaren"
een aantal argumenten voor rechtvaardiging op een rijtje gezet:
(bewerking uit het Oudnederlands)

   
   Dat de gevangenen in de oorlog, van onheuglijke tijden en genoegzaam bij alle volkeren, tot slaven werden verkocht, is bekend aan allen die de gewijde bladeren en wereldlijke historiën gelezen hebben.
Dat dit niet strijdig is tegen het recht der volkeren, getuigt de Apostel Petrus in zijn 2.Zendbrief, 2.Hoofdstuk, V.19:

   " Van wie iemand overwonnen is, dien is hij ook tot dienstknecht gemaakt."

   Dat de slavernij met het Evangelie verenigbaar is, wordt door Jacobus Elisa Johannes Captein duidelijk bewezen in zijn Staatkundig-Godgeleerd-onderzoekschrift over de slavernij verdedigd onder de voorzitting van de Hoogleraar
J. Van den Honert, T.H. Zoon.
Indien men niet aanmerkt, dat door de slavenhandel een groot aantal nuttige mensen in ‘t leven behouden worden; dat de slaven een veel beter leven in onze Amerikaanse landen hebben dan in hun vaderland;
dat het voordelig is voor de negervolkeren,
dat hun misdadigers door dezen handel voor altijd weg gevoerd worden; en indien men daar bijtelt de voordelen, welke daar uit voortkomen voor onze Amerikaanse volksplantingen,
alwaar de negers tot de landbouw veel bekwamer zijn dan de blanken of de Amerikanen, zal men moeten bekennen, dat het voordeel dat daar uit voortkomt zowel voor de negervolkeren als voor de slaven, voor de kooplieden in ‘t algemeen, en voor de volksplantingen in ‘t bijzonder, de onbehoorlijkheid of alle andere tegenwerpingen welke men te berde zoude kunnen brengen, verre te boven gaat.

   Waar uit ik besluit dat deze handel, zonder kwetsingen van ‘t geweten, kan en mag voortgezet worden. En waarom zou men het niet goed keuren, zowel als andere zaken welke geen betere verontschuldiging hebben?




   De houding van Nederlanders ten opzichte van Afrikanen is in de loop van de eeuwen nogal gewisseld, al naar gelang het voordeel dat ze er mee deden. Halverwege de 16e eeuw kenden de Nederlanders alleen verhalen over Afrika van ontdekkingsreizigers en zeelieden die in dienst waren van Spanjaarden of Portugezen.
Die hadden al veel langer met Afrikanen te maken.
Het imago van Afrikanen was niet best:
zwart boezemde angst in, Afrikaanse mannen hadden meer dan één vrouw, ze stonden dicht bij de apen en het kon niet anders dan dat het halve wilden waren met het verkeerde geloof.
Maar aan Afrikaanse producten als goud, huiden en bijenwas kon goed verdiend worden. De handelsgeest overwon de angst.

   Men bleek geïnteresseerd in allerlei Nederlandse producten als ijzeren en koperen staven en potten, pannen en textiel die verruild werden. Er verscheen zelfs een woordenboekje om de Afrikaanse handelaren beter te begrijpen. Het beeld van Afrikanen werd al gauw bijgesteld.
De zwarte handelaren werkten hard, gingen goed gekleed en deden hun ontlasting niet zomaar in het openbaar, toentertijd nog gebruik in Nederland.
Uit verhalen blijkt dat de stugge Hollandse zeelieden ook nog wel eens aan de rol gingen met een bandeloze Afrikaanse. Er groeide zowaar een soort wederzijds respect.

    In eerste instantie waren de Nederlanders dan ook fanatiek tegenstanders van de mensonterende slavenhandel. In de kerk werd gepredikt dat de handel in mensen indruisde tegen het woord van God.
Dit verlichte standpunt heeft niet lang standgehouden. Toen vanuit Brazilië de berichten kwamen dat de handel in suiker en tabak alleen stand kon houden door voldoende aanvoer van slaven gingen de bezwaren gauw in rook op.
De predikanten vonden in de bijbel heel rap allerlei aanwijzingen dat de slavenhandel niet strijdig is met het Evangelie. Een speciaal aangestelde commissie van de WIC besloot ook dat er geen morele bezwaren hoefden te zijn tegen de slavenhandel.






Dominee Jacobus Elisa Johannes Capitein, ca. 1742.

   Verscheidene dominees in Nederland bleven de slavernij in tegenspraak vinden met het christendom. Sommigen van hen reisden helemaal naar Suriname om dat aan de planters te vertellen. De meeste van hen werden door de plaatselijke kerkleiders en planters weer snel op de eerste boot terug gezet.
Dat soort praatjes willen ze daar niet horen.
Dat het allemaal niet eenvoudig lag blijkt uit het leven van Johannes Capitein.

   Capitein was een zwarte Afrikaan afkomstig van de Goudkust. Een medewerker van de West Indische Compagnie had hem meegenomen naar Nederland waar hij in de gelegenheid werd gesteld om in Leiden voor dominee te studeren.



De bibliotheek van de Universiteit van Leiden, waar Jacobus Capitein theologie studeerde, 1610.

   In 1742 schreef hij als afstudeerscriptie een verhandeling in het Latijn waarin hij stelt dat de slavernij niet in strijd met het christelijk geloof is.
Hij pleitte er voor om de slavernij ook in Nederland in te stellen. Dit leek hem een prima manier om bedelaars en misdadigers nuttig te maken voor de gemeenschap. Zijn stuk werd al snel in het Nederlands vertaald en werd (en wordt nog steeds) vaak naar voren gebracht ter verdediging van de slavernij.

   Dat de schrijver van het stuk zelf zwart was kwam de voorstanders natuurlijk goed van pas. Het leven van Johannes Capitein kreeg nog een verrassende wending. Hij werd weer uitgezonden naar Afrika als dominee en koos er daar voor om te trouwen met een Afrikaanse vrouw in plaats van met het Amsterdamse weesmeisje dat het Nederlandse kerkbestuur voor hem in gedachte had.
Hij nam daarop ontslag als dominee en werd handelaar, onder andere in slaven.




   Vanaf het begin van de slavernij zijn er protesten tegen dit systeem geweest. De Spaanse koning was in 1609 al een hartstochtelijk tegenstander. De Noord Amerikaanse Quakers riepen in 1688 al op tot afschaffing. Vanuit hun Christelijke geloof vonden zij dat ieder mens gelijk is.
Er waren dichters, schrijvers journalisten en geestelijken die zich in het openbaar tegenstander verklaarden. Toch bleven deze protesten altijd overvleugeld door de mensen en regeringen (inclusief veel vorsten en pausen) die gruwelijk rijk werden van de handel in mensen.

   Tegen het eind van de 18e eeuw kwam er langzaam meer gehoor voor de protesten, vooral in Engeland.
Er kwam een mensenrechtenorganisatie die door middel van bedrukte bekers en briefkaarten opriep tot het afschaffen van de slavernij. Op een enkele dominee en de schrijfster Betje Wolff na, overheerste in ons land de Hollandse koopmansgeest.
De tegenstanders waren niet alleen bezorgd over het welzijn van de slaven.
Zij maakten zich ook zorgen om de Europese bemanningsleden en soldaten. Er werd geregeld schipbreuk geleden en veel bemanningsleden vonden de dood aan boord door ziektes. De militairen die in de bossen van Suriname op jacht waren naar weggelopen slaven sneuvelden bij bosjes aan tropische ziektes en andere ontberingen.




   De roep om de afschaffing van de slavernij werd steeds sterker. Uiteindelijk was het een economisch motief dat de belangrijke laatste impuls gaf.
De industriële revolutie kwam de mensenrechtenorganisaties te hulp. Landbouwmachines namen het werk van de slaven over. De machines deden hun werk zonder protest.
Ze konden in minder tijd ook meer werk verzetten.
De bewerkelijke en risicovolle handel in slaven werd minder interessant.

   De Engelsen liepen ver voor in dit industrialiseringsproces. In 1807 was de handel in -
niet het houden van - slaven verboden voor alle Britten. Omdat Suriname toen in Britse handen was gold dit ook voor Suriname.
Helaas voor de slaven kreeg Nederland Suriname weer terug voor dat de Britten in 1833 de slavernij totaal afschaften. De Nederlanders hebben ruim 30 jaar daarna dit voorbeeld gevolgd.




   Halverwege de 19e eeuw begon de roep om het afschaffen van de slavernij duidelijker te worden in Nederland. Dat beviel de plantagehouders natuurlijk niet. Zij waren niet van plan hun luxe leventjes aan de andere kant van de oceaan op te geven.
De betrokken partijen in Suriname probeerden een positief beeld van het slavenleven te schetsen.

   Kunstenaars en schrijvers kregen de opdracht idyllische schilderijen, verhalen en gedichten te maken. Hiermee probeerde men de publieke opinie in Nederland te beïnvloeden. Maar via andere landen bereikten ook de gruwelijke en negatieve berichten Nederland.
In een laatste poging de afschaffing nog wat uit te stellen gingen de slavenhouders daadwerkelijk de slaven beter behandelen.
Het eten werd beter, de werktijden werden korter en de slaven kregen meer ruimte om hun eigen kostgrondjes te verbouwen. Het resultaat was dat de slaven minder vaak wegliepen en productiever werden. Als ze dat nou eerder hadden bedacht.




   Nederland heeft bijna 200 jaar handel gedreven in slaven. Een deel was voor de verkoop aan andere landen. Een ander deel was voor de verkoop aan plantage-eigenaren in Nederlandse koloniën;
Suriname en de Nederlandse Antillen.

   Men schat dat Nederlandse koopvaarders een half miljoen slaven uit Afrika verscheept hebben. Het was een roerige periode in de geschiedenis met veel oorlogen en een snel veranderend mens- en wereldbeeld. De houding van de kerk en de staat ten opzichte van slavernij was dan ook zeer veranderlijk. Toen Nederland in 1863 de slavernij uiteindelijk afschafte was dat niet enkel uit humanitair oogpunt. Hierbij speelden verschillende factoren een rol. Daarover lees je hier meer.