Wie is dit?
Intro tekst Suriname
Terug naar hoofdmenu



      In de jaren 1490 bereikten de eerste Europeanen Alonzo de Hojeda en Juan de la Coasa de Marowijne-rivier, maar ze meldden dat er niets van waarde te vinden was in Suriname. Pas twee eeuwen later veroverde Nederland Suriname op de Engelsen. In die tussentijd zijn er vele pogingen door verschillende landen gedaan om Suriname te kolonialiseren. Nederland was aanvankelijk op zoek naar goud: er ging een hardnekkig gerucht dat in het binnenland van Suriname een enorme hoeveelheid goud en edelstenen te vinden zou zijn, geleid door de Indiaanse koning El Dorado. In 1667 vielen de Nederlanders Paramaribo binnen, en bij het tekenen van een vredesverdrag met Engeland (de Vrede van Breda) werd besloten dat Nederland de kolonie mocht houden.

   Voordat de Nederlanders binnenvielen zijn er talloze gelukzoekers uit verschillende landen op expeditie geweest; zonder succes. Daarna hebben Europeanen geprobeerd zichzelf in het land te vestigen en de indianen te verdrijven. Er zijn verhalen van grote groepen Portugese joden, een poging van 60 Engelse kolonisten en een groep van 800 Fransen die een nieuw bestaan aan de andere kant van de oceaan wilden beginnen.
Daar is allemaal weinig van terechtgekomen.
De Engelsen hebben wel de plantages geïntroduceerd en de Nederlanders konden die bij de machtswisseling eigenlijk zo van ze overnemen. Pas toen bleek dat de Nederlanders niet geschikt waren voor de zware werkomstandigheden en de Indianen ongeschikt bleken als slaaf is men slaven uit Afrika gaan halen.




   Behalve voor de slaven en de bemanningen was de aankomst van een slavenschip ook voor de plantagehouders een blijde gebeurtenis: nieuwe werkkrachten. De truc was nu om de beste slaven te pakken zien te krijgen. De grotere slavenhandelaren sloten het liefst rechtstreeks een deal met de kapitein, zodat zij als eerste de sterkste mensen rechtstreeks van het schip konden halen.
Voor de kapiteins kon dit een aardig zakcentje opleveren. Hier kwam een einde aan toen de kleine plantagehouders, die misschien maar een of twee slaven nodig hadden, gingen protesteren.
De Nederlandse overheid ging zich er mee bemoeien. Zij besloot dat de verkoop van slaven pas mocht beginnen acht dagen nadat alle planters op de hoogte waren van de aankomst van het schip.



J.G. Stedman, een groep Afrikanen wordt
weggevoerd om als slaven verkocht te worden, 1796.

   De slaven die uit Afrika kwamen werden ook wel zoutwaterslaven genoemd. Ze waren een grote risicofactor. Veel vaker dan de slaven die op de plantages geboren werden vluchtten zij het bos in, soms al vlak na aankomst. Bovendien konden ze ziekten meenemen. Een kapitein had graag slaven uit één gebied op zijn schip, dat vergrootte de rust in het ruim. De plantage-eigenaren hadden echter liever niet een grote groep slaven uit een bepaald land op hun plantage uit angst dat die in hun eigen taal plannen zou maken om te vluchten.



Plattegrond van het slavenschip Brooks, ca. 1780.



   Verder waren de zoutwaterslaven minder goed bestand tegen de Zuid-Amerikaanse ziektes dan de slaven die op de plantages geboren waren.
De plantagehouders hadden dan ook nog liever slaven die in Suriname geboren waren. Die kenden niet anders dan het leven op de plantages en waren eerder geneigd zich bij de situatie neer te leggen.



Portretten van slaven en hun regio van herkomst




   In Noord-Amerika kregen de slaven zoveel kinderen dat hun bevolking groeide en er steeds minder invoer uit Afrika nodig was. Op de een of andere manier gebeurde dat in Suriname niet. Was dat in Suriname ook het geval geweest, dan had de gruwelijke tocht over zee een hoop slaven bespaard kunnen blijven.

   Wat precies de reden was dat de slaven in Suriname zo weinig kinderen kregen is nog steeds niet bekend. Was de kindersterfte heel erg hoog? Werden vrouwen niet zwanger door de slechte voeding en het harde werken? Of lieten de vrouwen als verzet tegen de onderdrukker misschien abortus plegen? Verschillende onderzoekers hebben hier hun mening over maar een bewijs voor een van de redenen is (nog) niet gevonden.




   De slaven die op de plantage werkten zijn onder te verdelen in 4 categorieën: veldslaven, fabrieksslaven, huisslaven en foetoeboys.



Schoffelende veldslaaf tussen het suikerriet, 1842.

   De veldslaven moesten de grond spitten, het suikerriet planten, verzorgen, oogsten en vervoeren naar de fabriek.



Fabrieksslaven aan het werk in een
suikerrietmolen, in Th. Bray, 1850.



   De fabrieksslaven maalden het riet en kookten het. Daarna werd het gezeefd en het suikerwater moest indrogen. De dikke suikerplak die overbleef moest gestampt en in zakken gedaan worden. Daarna werd het vervoerd naar Europa.



Huisslavinnen in de naaikamer van
plantage Katwijk in Suriname, 1842.



   Dan had je de groep huisslaven, dat waren vaak vrouwen die het werk in huis deden. Er was één speciale vrouw: de Nene. Zij zorgde voor alle kleine kinderen op de plantage.



Een foetoeboy of lijfknecht met zijn meester, 1854.



   En je had de foetoeboys: dat waren slaven die altijd 'in de buurt van de voeten van hun meester' moesten blijven. Zij kregen allerlei klussen: hun meester koele lucht toewuiven, zijn voeten masseren, een berichtje naar de stad brengen en meer van dat soort dingen.

   Niet alle slaven werden goed verzorgd. Veel slaven werden ziek door de eenzijdige voeding die ze kregen: bakkeljauw (gezouten vis), bananen en pap. Het eten was op rantsoen. Je kreeg een emmer bakkeljauw en bananen voor een bepaalde periode. Was het eten eerder op dan moest je honger lijden of hopen dat iemand anders wat over had.





P.J. Benoit, Drie wederverkoopsters, 1839.

   Het was slaven oogluikend toegestaan om wat geld bij te verdienen. 1 dag per week waren de slaven namelijk vrij. Ze bewerkten dan hun kostgrondjes of maakten kleren. Met die goederen gingen ze dan van deur tot deur. Verschillende gouverneurs probeerden dit te verbieden maar dat is nooit helemaal gelukt. Sommige planters kochten zelfs groenten van de moestuintjes of kostgrondjes van hun eigen slaven.

   Gouverneur van Scharphuysen vond dat het beter georganiseerd moest worden en wees de Oranjetuin in Paramaribo aan als marktplaats. Vanaf het begin van de 18e eeuw was het officieel toegestaan als slaaf om spullen te verkopen, je had dan wel toestemming van je eigenaar nodig. Ook gebeurde het wel dat een eigenaar een slaaf een week vrijaf gaf om spullen te verkopen. Ze spraken dan een vast bedrag af dat moest worden afgedragen na die week.
De rest mocht de slaaf houden.


Plan van de stad Paramaribo, ca. 1760.

   Op deze manier gingen slaven zichzelf ook verhuren voor andere soorten werk in de stad. Alweer was de regering niet blij met deze ontwikkeling en probeerde zij dit te stoppen. Wel werd het recht op de kostgrondjes erkend en zogauw dit stukje grond werd toegekend aan een slaaf was het zijn eigendom.




   Twee belangrijke functies op de plantage waren de bastiaan en de blankofficier. De blankofficier was wit en vaak voormalig militair of bemanningslid van een schip. Zijn taak was het toezicht houden op de slaven in het veld en de vele kilometers die daarvoor in de tropische zon dagelijks voor moesten worden afgelegd maakt het tot een weinig populaire baan.
Veel blankofficiers hoopten zo ooit zelf directeur te worden.

   Het verloop was groot, de meeste blankofficiers bleven niet veel langer dan één jaar op een plantage. Ze werden gehaat door de slaven vanwege de meestal brute behandeling en door de directeur van de plantage werden ze vaak geminacht en niet veel beter behandeld dan de slaven zelf. De blankofficier bracht ’s ochtends en ’s avonds verslag uit over de vorderingen en kreeg daarbij nieuwe instructies van de directeur.


blankofficier.

   Datzelfde deed de bastiaan maar ondanks dat hij zwart was, was zijn reputatie vaak een stuk beter dan de blankofficier. de bastiaan wordt ook wel de meest constante factor in het beheer van de plantage genoemd.
Hij was vaak op de plantage geboren en zelf lang slaaf geweest. Omdat hij veel kennis van zaken had over de plantage genoot hij daarom zowel bij de slaven als bij de directeur een zeker respect. Hij was de smeerolie die moest proberen beide partijen min of meer tevreden te houden.




   De slaven die het bos in vluchtten stichtten sterke ministaatjes in het binnenland. Het was de Nederlanders namelijk al snel duidelijk dat het oprollen van deze gemeenschappen zo goed als onmogelijk was. Voor de plantage-eigenaren was het vooral zaak dat de Marrons niet teveel opruiende invloed zouden hebben op de slaven.
Zij losten dit op door verdragen te sluiten met de Marrons. Onderdeel van zo’n verdrag was meestal dat de Marrons met rust gelaten zouden worden als zij geen gevluchte slaven zouden opnemen maar die vluchtelingen zouden uitleveren aan de Nederlanders.


P.W.M. Trap, Bosnegers op theevisite, 1856.

   Zo ging in 1761 een Nederlandse expeditie het binnenland in om de dorpen in kaart te brengen en een verdrag te sluiten met de kapiteins van de Ndjuka Marrons, de latere Aukaners. In dit geval was een van de onderdelen van het verdrag dat militaire waarnemers van de Nederlanders in Ndjuka-dorpen gingen wonen om te controleren of er geen vluchtelingen werden opgenomen.
In ruil daarvoor mochten de kinderen van de kapitein in Paramaribo naar school om te leren lezen en schrijven.




   In 1684 al zag gouverneur van Sommelsdijck dat het gevecht tegen de weglopers nergens toe zou leiden behalve tot grote verliezen onder de witte soldaten die bij bosjes sneuvelden in het oerwoud.
Zijn opvolgers waren nog niet zo ver en bleven proberen de weglopers totaal uit te roeien,
wat uiteraard niet lukte.
Het duurde tot 1760 voor de eerste verdragen werden gesloten met de Aucaners, daarna volgden de Sarramacaners in 1762 en de Matuariërs in 1768.
Er was echter één groep die geen zin had in onderhandelingen, zij bleven doorgaan met aanvallen op de plantages om meer slaven te bevrijden en gereedschappen en wapens te veroveren; de Cotticanegers.


Boni.

   Zij werden aangevoerd door twee bijzondere leiders; Boni en Baron. Boni was een halfbloed (tegenwoordig: dubbelbloed) en geboren in het bos. Zijn moeder was slaaf en minnares van een Nederlander maar later door hem verstoten en gevlucht. Hij werd leider van de gevluchte slaven en trainde hen tot een geduchte vijand van de kolonisten.
Hij deed dat samen met Baron. Baron was slaaf geweest bij de Zweed Dahlberg. Hij was erg intelligent en de Zweed was erg gek op hem. Hij leerde hem lezen en schrijven en nam hem mee naar Nederland.
Bij zijn terugkeer naar Suriname werd hem de vrijheid beloofd maar in plaats daarvan werd hij toch als slaaf verkocht. Daarop vluchtte hij ook het bos in en sloot zich aan bij de groep van Boni.
Hun groep was oppermachtig in het bos rondom de plantages en begon steeds grotere schade aan te richten aan het Nederlandse gezag. Ze hadden een groot fort met een vier meter hoge muur gebouwd in het oerwoud. Ze bezaten geweren en een kanon.
Om het fort lag een ondoordringbaar moeras.
De Nederlanders hebben een aantal malen geprobeerd dat fort aan te vallen maar zonder succes. Ze gingen zelfs zo ver dat ze 300 slaven vrijheid beloofden als ze meevochten tegen Boni en Baron.


J.G.Stedman. Het ondoordringbare moeras

   Na een belegering van zeven maanden werd het geheime pad, dat net onder het water lag en de toegang was tot het fort, verraden. Kapitein Maryland deed een schijnaanval en de vrijgekochte vrijwilligers vielen het fort aan over het geheime pad.
Het fort werd vernietigd maar Boni en Baron ontsnapten naar Frans Guyana. Nog 20 jaar lang zou Boni doorgaan met zijn strijd tegen de overheersers voor hij uiteindelijk werd gedood door een Aucaans opperhoofd.




   Een belangrijk moment in het verzet van de slaven tegen hun eigenaren werd onbedoeld veroorzaakt door de Fransen. Suriname was een geliefd stukje land en zowel de Fransen als de Engelsen hebben een aantal malen geprobeerd het van de Nederlanders te veroveren. In 1712 probeerden de Fransen,
die een basis hadden in buurland Frans-Guyana al voor de derde keer in 15 jaar Suriname te veroveren.
Ze kwamen met 37 kleine en 8 grote schepen.
Via een list wisten ze een aantal schepen langs het verdedigingsfort Zeelandia aan de monding van de Suriname-rivier te krijgen. De stad werd zwaar beschoten en 1500 soldaten trokken plunderend langs de plantages aan de oever van de rivier.
De slaven, die toen 90% van de bevolking uitmaakten, vluchtten uit angst massaal het bos in. Een groot deel is nooit teruggekomen.

   De Nederlandse gouverneur gaf zich over en kon Suriname alleen terugkopen door 10% van het bezit aan geld, goederen en slaven te betalen.
Om de schade te beperken verborgen een aantal slavenhouders hun slaven en gereedschappen in het bos. In navolging van de eerdere vluchters zijn veel slaven toen verder het bos in getrokken en nooit teruggekeerd naar de plantage. Met behulp van de gereedschappen die ze meegenomen hadden en met de kennis van eerdere vluchtelingen zijn toen een aantal grote weglopersdorpen gesticht.




   Als allerlaatste van de westerse landen besloot Nederland om de slavernij af te schaffen. Op 1 juli 1863, ruim dertig jaar na het voorbeeld van de Britten, klonken 21 kanonschoten in Paramaribo en werden de slaven vrije mensen. De Nederlandse regering betaalde zelfs een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf, maar die ging niet naar de slaaf maar naar de eigenaar. Ter compensatie van het verliezen van zijn eigendommen.

   Deze vergoeding maakt de afschaffing nog extra wrang, omdat de slavenhouders vlak voor de afschaffing nog eens extra jacht gingen maken op weglopers om zoveel mogelijk van dat compensatiegeld op te strijken. In 1862 werd door de gezamenlijke plantagehouders en onder bevel van kapitein Steenberghe, nog een grootscheepse en bloedige razzia georganiseerd in het binnenland om zoveel mogelijk Marrons te vangen.




   De slaven waren blij met de afschaffing maar er zat nog een addertje onder het gras. Om de plantagehouders niet teveel te duperen hadden de Nederlanders bedacht dat alle slaven tussen de 15 en 60 jaar oud verplicht waren zich nog tien jaar te verhuren als contractarbeider: dit noemde men de periode van staatstoezicht. De slaven waren dus nog niet helemaal vrij. Een groot nadeel was dat de slaveneigenaren nu niet meer verplicht waren om voor hun slaven en hun gezinnen te zorgen. Ze huurden iemand alleen voor korte tijd in.

   Voor veel families betekende de afschaffing in eerste instantie dus vooral een verslechtering van hun leven. Het staatstoezicht werd ook massaal ontdoken. In hun pas verkregen vrijheid wilden de ex-slaven zich niet weer binden aan een wurgcontract van een witte baas. De vele families probeerden liever op een klein kostgrondje voor zichzelf te zorgen. Omdat ze geen geld en grond hadden meegekregen en het ze verboden was geld te lenen was dat vaak een hard en moeilijk bestaan. Maar wel een vrij bestaan.




   Na de afschaffing en de periode van staatstoezicht hadden de plantage-eigenaren een probleem:
niet genoeg arbeiders. De Nederlandse regering probeerde dit op te lossen door nieuwe arbeiders van overzee te halen, zogenaamde contractarbeiders, die voor het geld naar Suriname kwamen.
De Nederlandse regering sloot met de Britten, toen de koloniale machthebbers in India, een overeenkomst. Indische boeren werden naar Suriname gehaald.
Die mensen waren in hun eigen land straatarm.
Met het werk in Suriname werd hen gouden bergen beloofd. Ook werd hen een vrije terugreis na 5 jaar aangeboden.


Aankomst van contractarbeiders

   Eenmaal aangekomen bleek dat het geld dat de contractarbeiders verdienden niet voldoende was om van te leven. Ze werden gedwongen te lenen bij hun bazen en bleven zo van hen afhankelijk.
Zolang ze schulden hadden wilde de Nederlandse regering de terugtocht niet betalen. De arbeiders mochten zonder toestemming de plantage niet af
en er was nauwelijks medische verzorging of onderwijs voor de kinderen. Dit systeem werd ook wel het nieuwe slavensysteem genoemd.
De Nederlandse regering kreeg ruzie met de Britse regering, die protesteerde tegen de slechte behandeling van de Indiërs. De Nederlanders mochten geen mensen meer ronselen in India. Voortaan werden de contractarbeiders van Java gehaald, dat behoorde tot de Nederlandse kolonie Nederlands-Indië.
Tot in de dertiger jaren waren deze contractarbeiders nauwelijks beter af dan de slaven.




   Toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft kreeg iedere slavenhouder 300 gulden schadevergoeding per slaaf. Uit die administratie bleek dat er toen 36.000 slaven geregistreerd waren. Ook werd bepaald dat iedere slaaf een officiële achternaam moest krijgen.
Er werden nieuwe Nederlandse achternamen bedacht zoals Grootfaam, Blokland, Graanoogst, Wijntuin, Rijkaard, enz.

   De namen die slaven kregen waren in te delen in een paar categorieën.
Beginletter: Bijvoorbeeld alle slaven van de plantage
la Prosperité kregen een naam met een P: Pieter, Pocornie, Pengel.
Namen die door geld geïnspireerd waren: Profijt, Winst, Champagne, Bourgogne.
En dan waren er natuurlijk de grappenmakers: Matras, Mooiweer, Onkruid, Gaslichtje, Flesje.
Een bijzonder categorie waren de omkeringen: Kramer - Remark, Amsterdam – Madretsma, Gieter - Reteig of Muller – Rellum.
Waar namen als Braaf, Vlijtig, Baard en Kreupel vandaan kwamen is niet moeilijk te raden. Als laatste een aantal bijzondere namen die in 1863 zijn uitgedeeld: Koninggift, Koningvrij, Verrassing, Nietgelooven, Dankhemel en Nooitmeer.




   Helbin Johnsen Castino en Angeliqua Leeds waren slaven op de plantage Henar.
Oom Chris, zoals hij meestal genoemd wordt, is hun kleinkind. Hij is al 87 jaar en weet nog verhalen van zijn opa en oma uit die tijd. Grootvader Helbin en grootmoeder Angeliqua waren huisslaven.
Helbin was koetsier en Angeliqua kokkin. Dat waren belangrijke functies. Oom Chris vertelt dat zijn grootouders geslagen werden als het werk niet op tijd af was. Maar ze waren wel tevreden over het eten dat ze op plantage Henar kregen.
Toen de slavernij werd afgeschaft was het een groot feest. De baas van Helbin en Angeliqua was de beroerdste niet. Hij gaf zijn ex-huisslaven een stukje grond op zijn plantage.




   Van de 500.000 slaven die de Nederlanders in totaal uit Afrika hebben gehaald was voor de meeste de eindbestemming Suriname. Op het hoogtepunt in 1775 waren er 600 plantages in Suriname die voornamelijk suiker verbouwden.

   De slaven werden slecht behandeld; lange werkdagen, weinig eten en zware straffen. Het is dan ook geen wonder dat veel van hen probeerden te ontsnappen. De strijd tussen de weggelopen slaven en de Nederlanders heeft een belangrijk stempel gedrukt op de aanwezigheid van de Nederlanders in Suriname. Er wonen in het binnenland van Suriname nog steeds nakomelingen van de weggelopen slaven, de Marrons.